4 juni, 2026

Wanneer personages ook gelezen hebben: feminisme in ‘Dodeman’ en ‘De Dragers’

De boeken ‘Dodeman’ van Uschi Cop en ‘De Dragers’ van Daan Borrel gefotografeerd voor een boekenkast.
Eva Vervacke
Politiek in romans is een polariserend goed. Al snel kan een tekst belerend of moraliserend aanvoelen, zeker wanneer een schrijver zich merkbaar verstopt achter haar personages om haar eigen politieke standpunten te poneren. Tegelijkertijd is de apolitieke roman een fantasme: iets wat voortkomt uit het bewustzijn van de schrijver wordt noodzakelijkerwijs gevormd door dier maatschappelijke positie en waarden, veelal impliciet. Toch blijft de vraag of een roman wel het beste vehikel is voor expliciete ideologische standpunten, met zijn focus op de emotionele leefwereld van individuele personages. In twee recente romandebuten gingen de auteurs deze uitdaging aan: Dodeman van Uschi Cop en De Dragers van Daan Borrel.

(Dit essay bevat details en plotwendingen uit de besproken boeken. Als je de romans nog niet gelezen hebt en dat spoilervrij wil doen, kom je best nadien even terug.)

 

Dodeman gaat over identieke tweelingzussen Ise en Ursula, die na een lange periode zonder contact opnieuw samen in hun ouderlijk huis verblijven. De zussen zijn elkaars tegenpool. Ise woont met man en zoon in een Vlaamse verkaveling, waar ze lusteloos het huishouden doet en met al even weinig passie schrijft voor een lifestyleblad. Ursula is een politieke activist die tijdens haar jongvolwassen jaren in twee radicale communes leefde, waarna ze zich heeft afgezonderd in het ouderlijk huis te Brussel. Cop hanteert drie wisselende perspectieven: het heden vanuit Ises standpunt, nooit verstuurde brieven van Ursula aan haar zus, en Ursula’s relaas van de bijeenkomsten van het door haar opgerichte en ondertussen geïmplodeerde feministische collectief Nyx. 

 

Het boek is een combinatie van een gothic novel, familieroman en ideeënroman, met een centrale rol voor het feminisme en de strijd tegen femicide. De bijeenkomsten van Nyx zijn gevuld met debatten waarbij allerlei feministische denkers de revue passeren, al dan niet bij naam genoemd in de tekst of in de noten achteraan. Het personage Ursula is erg gepolitiseerd en belezen, dus zij schrijft en spreekt ook voortdurend in feministische standpunten. In het dankwoord pende Cop een lange lijst neer van feministische denkers en schrijvers, want zonder hun werk “zou dit boek niet bestaan”. 

 

De Dragers vertelt de verhalen van Maria, Sanae en Vita, drie personages die op verschillende tijdstippen (1996, 2023 en 2035 respectievelijk) zwanger of net bevallen zijn. Net als in Dodeman wisselen de drie perspectieven elkaar af in hoofdstukken. Samen vormen ze een verhaal over zelfbeschikking en obstetrisch geweld. Het personage dat in de toekomst leeft, Vita, draagt een kind voor een bevriend mannenkoppel, Miko en Lucas. Ze leeft en runt een bakkerij in een centraal Amsterdam dat opnieuw bevolkt wordt door de lagere klassen wegens overstromingen: de gegoeden zijn massaal verkast naar het hogergelegen oosten. In haar hoofdstukken schrijft Vita over haar ervaring en de reden waarom ze draagt, gericht aan het kind dat in haar buik groeit.

 

Eén grote familie

 

In een interview met De Balie vertelt Borrel dat de inspiratie voor Vita’s verhaallijn komt uit het werk van feministisch schrijver en theoreticus Sophie Lewis. In hun boek Full Surrogacy Now: Feminism Against Family bepleit Lewis dat het dragerschap zoals we het nu kennen getransformeerd moet worden naar een full surrogacy, waarbij nieuw leven gedragen zou worden voor de noden en verlangens van een gemeenschap, en kinderen ieders verantwoordelijkheid zijn, niet enkel van hun biologische ouders of familie – een overtuiging die ook Vita aanhangt, als lid van het collectief Wombs for All. Zij willen meer intimiteit in de samenleving brengen door te dragen voor anderen, en zo de liefde en verantwoordelijkheid die we doorgaans enkel voor onze bloedbanden voelen uit dat familiale kader halen: “we trekken het dragen en moederschap uit elkaar / want we geloven niet in moederschap in dienst van de heteronormatieve familie / als de wereld vrij wordt van het kerngezin zal er pas echte familie ontstaan”. Zo willen ze de baarmoeder bevrijden van dat kerngezin en wordt baren pas echt een volledig vrije keuze.

 

Binnen het kerngezin wordt immers heel wat schade aangericht, ook in Dodeman. De tweelingzussen groeiden op met een onvoorspelbare moeder die vaak niet in staat was voor haar dochters te zorgen, en een gekrenkte, gewelddadige vader. Eens herenigd proberen de zussen te begrijpen hoe hun herinneringen al dan niet overeenkomen met elkaar en met wat er gebeurd is, welke verhalen ze misschien wel verzonnen hebben om met de situatie om te kunnen gaan: hun “overlevingstactieken zodat we op de juiste manieren kunnen sterven.” Ook de femicide waar het boek tegen ageert, vindt plaats binnen familiale relaties: vrouwen worden voornamelijk vermoord door hun mannelijke (ex-)partner. 

 

Sophie Lewis schrijft in Abolish the Family: A Manifesto for Care and Liberation dat “familie” de naam is die we geven aan het feit dat zorg geprivatiseerd is: hier vindt de onbetaalde arbeid plaats die onmisbaar is voor het kapitalistische systeem. Tegelijkertijd is zo’n gezin zelden in staat om adequate zorg te bieden aan al haar leden, door gebrek aan tijd, geld, energie, mentaal welzijn, enzovoort. Kinderen zijn dan vaak de dupe, hoeveel een gezin ook van elkaar houdt. Lewis heeft een alternatieve definitie voor liefde: iemand liefhebben betekent strijden voor hun autonomie en voor hun immersie in zorg, voor zover zulke weelde mogelijk is in een wereld gewurgd door kapitaal. Vanuit die logica slaat het helemaal nergens op om een kind toegang te geven tot slechts één moeder, omdat zij haar “echte” moeder is.

 

Over haar twijfels praat ze met niemand. Daar is immers geen plaats voor in een samenleving die haar overtuigingen sowieso in twijfel trekt, want haar gevoelens zouden ingezet kunnen worden voor een politiek project waar ze niet in gelooft.

 

In De Dragers zet Vita dit idee om in de praktijk door een kind te dragen zonder dat ze haar moeder zal zijn, zodat moederliefde niet langer een schaars goed is, maar in principe door iedereen gegeven en ontvangen kan worden: “als je maar nooit denkt dat dit niet uit liefde is / de wereld weet maar weinig van echte liefde / dat kan ik je wel vertellen / daarom noemen ze het ook ‘je kind weggeven’ / zij ‘houden’ daarentegen ‘hun’ kind zodat ze elke dag weer kunnen bewijzen dat ze vrouw zijn / het is zo kleinzielig om alleen voor jezelf te dragen / why would you do that / where is the joy in that”.  Ze politiseert hiermee iets wat in onze samenleving nog heel erg genaturaliseerd is, namelijk dat baren enkel gebeurt – of toch zou moeten gebeuren – binnen een gezin. Baren is een politieke keuze, en Vita maakt dit duidelijk door te dragen op een manier die door de samenleving geproblematiseerd wordt: welke moeder geeft er nu haar kind weg? Het is een vooruitblik naar een wereld waarin biologische banden niet zo bepalend zijn, een queering van familie. Queerness is in De Dragers dan ook een centrale kracht in de zoektocht naar een andere manier van samenleven, die mogelijkheid en ruimte creëert.

 

Ursula blijft daarentegen vastzitten in biologisch determinisme. Ze vindt het onaanvaardbaar dat haar tweelingzus Ise heeft gekozen om zich voort te planten, om hun vervloekte genen door te geven aan, nog het ergst van al, een zoon. Cop bevestigt dit pessimisme met haar verhaal: de zoon van Ise heeft zich helemaal gevormd naar de mannelijkheid van zijn vader en werd al eens beschuldigd van seksueel geweld. Voor Cop zijn we veroordeeld tot onze biologie, terwijl Borrel biologie net denaturaliseert. Ze laat zien dat biologie slechts één bepaalde interpretatie is van de werkelijkheid: het is ons geloof in die werkelijkheid dat onze verbondenheid met elkaar begrenst via instituties zoals familie.

 

Utopisme hoeft niet naïef te zijn

 

Ondanks de utopische politieke onderstroom van Vita’s verhaal, laat Borrel zich niet vangen door een al te simplistische voorstelling waarin individuele keuzes een magische oplossing vormen voor structurele problemen. Noch zijn haar hoofdstukken een poging om de ideale samenleving te ontwerpen. Het is een onderzoek naar het maken van principiële keuzes in een ongelijke samenleving. Zo botsen Vita’s keuzes op weerstand. Klimaatactivisten van een eerder ecofascistisch allooi komen eieren tegen haar voordeur gooien, omdat zij vinden dat de mens zich niet langer mag voortplanten omwille van de klimaatproblemen. Haar keuze om thuis te baren wordt eigenlijk niet toegelaten door de surveillancestaat, die ermee dreigt kindertoeslag niet uit te keren. En tot haar grote frustratie proberen mensen haar voortdurend te overtuigen dat ze het kind niet mag of zal kunnen weggeven. 

 

Wanneer Vita voor het eerst op bezoek gaat bij Miko’s moeder Marion, ondervraagt Marion haar over haar familie en bekritiseert ze haar keuzes: het lijkt haar onnatuurlijk om de liefde “zo te sturen”, en zelf zou ze het niet kunnen, een kind afstaan. Ze lijkt bang dat Vita zich zal bedenken en de baby zelf zal willen houden. Marion is immers lyrisch over de intimiteit die ze zelf ervoer met Miko toen hij nog heel klein was. Ze heeft zich later met niemand nog zo verbonden gevoeld, en voelde zich tegelijkertijd vrij dankzij het kind, omdat de rest er ineens veel minder toe deed. Vita reageert sceptisch, maar zij en Marion zijn in feite elk op hun eigen manier op zoek naar dezelfde verbondenheid.

 

De nood aan meer intimiteit is aan het begin van Vita’s zwangerschap in de eerste plaats een intellectuele overtuiging. Ze is namelijk erg gehecht aan haar zelfstandigheid en staat, ondanks haar ideologische overtuigingen over zorg en grenzeloze verantwoordelijkheid, weigerachtig tegenover de afhankelijkheid die daar noodzakelijkerwijs mee gepaard gaat. Naarmate haar zwangerschap vordert, beseft ze dat de zorg die ze ontvangt van Lukas, Miko en Marion, die het karakter heeft van wat wij verstaan onder familiale zorg, en de verbondenheid met de baby eigenlijk wel fijn zijn. Ze is zelfs bang de intimiteit met hen te verliezen eens de baby geboren is. 

 

Vita twijfelt dus. De mogelijkheid om het kind wel te houden komt langs in haar gedachten. Ook fantaseert ze over de relatie die ze zal hebben met het kind. Ze wil geen moeder zijn in de conventionele betekenis, maar heeft duidelijk de drang om iets te betekenen in het leven van het kind in haar buik. Vita bedenkt zich niet echt, en blijft op politiek vlak steeds in haar keuzes geloven, maar Borrel geeft de spanning tussen wat Vita denkt en wat ze voelt mooi weer. Over haar twijfels praat ze met niemand. Daar is immers geen plaats voor in een samenleving die haar overtuigingen sowieso in twijfel trekt. Haar gevoelens zouden door anderen ingezet kunnen worden voor een politiek project waar ze niet in gelooft.

 

De poppenkast mist een paar poppen

 

Het indrukwekkende aan De Dragers is de natuurlijke en vanzelfsprekende manier waarop het zware, complexe onderwerpen zoals obstetrisch geweld en (draag)moederschap in het verhaal verweven zitten. Het is een verrassend licht boek, ondanks zijn intellectuele diepgang, omdat we mee mogen met de personages terwijl ze in situaties en gesprekken terechtkomen waarin deze vraagstukken op menselijke schaal onderzocht worden. De roman als vorm leent zich daar uitstekend toe. De nuance die menselijke emoties met zich meebrengen zorgt voor een verdieping van de ideeën. Ervaringen zoals zwangerschap, baring, of moederschap, krijgen naast hun emotionele betekenis ook een intellectueel gewicht, wat helaas een opvallend gegeven blijft als het gaat over de beleving van vrouwen.

 

In Dodeman zitten we daarentegen vastgeklonken aan de vergadertafel. De lezer mag niet mee naar de acties van Nyx, wel krijgen we a posteriori een beschouwend relaas van Ursula. Ondanks de vrijheid van de roman als medium komen we niet te weten hoe de acties in hun werk gaan, noch hoe de verwezenlijkingen van Nyx precies tot stand komen, die overigens worden toegeschreven aan dit ene collectief. De vijgen na Pasen staan in de noten achteraan, waar Cop schrijft dat de aan Nyx toegeschreven verwezenlijkingen in werkelijkheid toebehoren aan “een groot vertakt netwerk van organisaties die strijden voor de gelijke rechten voor man en vrouw”, gevolgd door een opsomming van organisaties uit het feministische middenveld. Deze noot kan het boek niet redden van zijn oneerlijkheid over hoe activisme en organisaties werken, terwijl het net centrale thema’s van het boek zijn. Dit is des te problematischer omdat de overtuiging dat hun activisme niet werkt voor de “radicalen” van Nyx de belangrijkste reden is voor hun overstap naar geweld. Ursula plant namelijk met enkele leden van het collectief een reeks aanslagen op mannen die beschuldigd werden van geweld tegen vrouwen.

 

De politieke problemen worden bijgestaan door literaire. De vrouwen et al. van Nyx hebben niet genoeg spreekwoordelijk vlees aan de botten. In deze feministische poppenkast spreken ze enkel wanneer ze hun lijntje moeten zeggen in een onbeholpen schematische dialoog die steeds culmineert in een synthese, dan wel antithese van Ursula, die ze zonder tegenspraak mag poneren. Dit doet ze deelnemend aan het gesprek of “in haar gedachten”, rechtstreeks aan de lezer. Cop gebruikt de vrouwen in het boek zoals Ursula hen ook gebruikt. Dat is natuurlijk altijd het geval in een boek, waar het hoofdpersonage het verhaal ís, maar bij voorkeur valt dat niet zo op. Bovendien is een personage met het grote gelijk geen interessant personage.

 

Dat niemand vrij is tot iedereen vrij is, is niet enkel een mooi sentiment, het is ook de realiteit. Maar “iedereen” omvat ook geweldenaars. Hen bevrijden, en onszelf bevrijden, lukt alleen door te beginnen bij de structuren die seksueel geweld voeden en verwachten.

 

Nyx is eerder een metafoor dan een collectief van vlees en bloed. Hun debatten moeten een dwarsdoorsnede van het feminisme voorstellen, maar in realiteit tekent zich al snel een tweedeling af. Optie één is een principiële afwijzing van geweld, in het boek “moreel pacifisme” genoemd, met een liberaal geloof in geweldloos protest en verandering binnen de bestaande politieke en juridische instituties. Optie twee is radicaal feminisme, een stroming van het angelsaksische feminisme. In Dodeman gaat het specifiek om lesbisch separatisme, dat lesbianisme interpreteert als de enige juiste politieke keuze om elke relatie met mannen af te wijzen en zich – niet noodzakelijk seksueel – volledig op vrouwen te richten. Deze laatste stroming krijgt het laatste woord, gedreven door het pessimisme waarmee het boek doorspekt is. Ze is ook overtuigend, Ursula, wanneer ze deze positie verdedigt, al is dat vooral een gevolg van het gebrek aan personages die de kans krijgen om een sterk tegenargument neer te zetten. Enkel de gemakkelijk weerlegbare liberale argumenten van “gematigden” passeren de revue. Ze bestaan nochtans, en wel in de zwarte, inheemse en koloniale tradities. 

 

Politiek socioloog Alison Phipps schrijft dat seksueel geweld niet altijd en overal even wijdverspreid en systemisch was. De transitie naar het kapitalistische systeem maakte gebruik van geweld tegen vrouwen om hen in een bepaalde verdeling van arbeid te dwingen. Ook kolonisten gebruikten seksueel geweld om inheemse mensen te controleren, wat onder meer een toename van seksueel geweld in deze gemeenschappen veroorzaakte. In een werkelijk anti-kapitalistische analyse van seksueel geweld is het vermoorden van mannen een idioot voorstel, aangezien de oorzaak ligt in het economische systeem, dat in zekere zin een nood aan seksueel geweld creëert.

 

In Dodeman identificeert iedereen zich als intersectioneel feminist, maar veel meer dan oppervlakkige zelfidentificatie is het zelden, en niet alleen bij hun liberale, “gematigde” leden. Het is alleszins niet duidelijk hoe een intersectioneel feminist kan belanden bij de overtuiging dat het vermoorden van mannen die beschuldigd worden van seksueel misbruik een revolutionair, of zelfs maar nieuw idee is. Zwarte feministen weten immers goed wat de vaak valse beschuldigingen van witte vrouwen betekenden voor zwarte mannen. Zwarte lesbiennes zoals het Combahee River Collective waren ook uitgesproken critici van het lesbisch separatisme, aangezien zwarte mannen voor hen bondgenoten waren in de strijd tegen racisme, terwijl bij witte lesbische feministen weinig antiracisme te vinden was. Ook gekoloniseerde vrouwen kennen de koloniale fantasieën over de zogezegde seksuele gewelddadigheid van de mannen in hun gemeenschap en het geweld dat daarmee vergoelijkt werd. Ze herinneren zich ook  de overtuiging waarmee witte vrouwen zich achter het kolonialisme schaarden; kolonist worden werd door witte feministen zelfs als een manier gezien om zichzelf te bevrijden van de patriarchale onderdrukking in eigen land.

 

Al even kwalijk is Cops representatie van queer en trans zijn, die gekenmerkt wordt door een cynisch heteropessimisme. Ursula zegt ondertussen op vrouwen te vallen omdat “het was wat overbleef”. Trans tiener Toni zegt een jongen te zijn, want “[zijn] vrouwelijkheid is uit [hem] geslagen”. Queer– en transness zijn in dit boek reactionaire, negatieve keuzes.

 

Een horizon voorbij de dood

 

Wit radicaal feminisme resulteert al te vaak in een gender only, of toch gender first analyse, wat leidt tot een afhankelijkheid van bestraffing, meestal door de staat. Restorative justice, waarbij rechtvaardigheid wordt gezocht op een herstellende manier, binnen gemeenschappen, wordt daarbij, en ook in Dodeman, afgedaan als naiëf, of zelfs als een vorm van geweld tegen vrouwen: de verwachting dat ze kunnen spreken met hun verkrachters, met hen in een gemeenschap kunnen leven. De vragen die restorative justice stelt over de zin en onzin van bestraffing en de staat, zijn afwezig in het boek omdat zijn denkkader er geen antwoord op kan bieden.

 

Er is een verschil tussen je iets niet kunnen voorstellen en iets dat werkelijk onmogelijk is. Dat niemand vrij is tot iedereen vrij is, is niet enkel een mooi sentiment, het is ook de realiteit. Maar “iedereen” omvat ook geweldenaars. Hen bevrijden, en onszelf bevrijden, lukt alleen door te beginnen bij de structuren die seksueel geweld voeden en verwachten.

 

Op het einde van Dodeman geeft Ursula toe dat ze fout zat. Er wordt gesuggereerd dat Ise, ondertussen ook feminist, nu haar taak zal overnemen. Jammer genoeg verdwijnt de concrete toon uit de rest van het boek hier volledig, en raakt de meer optimistische eindnoot niet verder dan vage symboliek. Wie een betere toekomst wil zoeken in een feminisme waarin trauma allesbepalend is, komt onvermijdelijk bedrogen uit. In het geval van dit boek reikt de politieke horizon niet verder dan de dood. 

 

De Dragers durft wel verder te kijken dan een non-toekomst, en begrijpt dat echte verandering enkel mogelijk is wanneer we onze verbondenheid niet langer laten opbreken door hiërarchie en macht. Het zal dus moeten op de moeilijke manier: niet via geweld, maar via zorg. Dat is pas radicaal.

Evelien Feys is redactielid bij KETTER Brussel – Dodeman werd afgelopen maand besproken in de Brusselse Boekenklets, de boekenclub van Dwaalzin.