Als mens zijn we nu eenmaal onderhevig aan een aaneenschakeling van grote en kleine liminale momenten. Dat liminaliteit, ook wel gekend als de overgangsfase tussen het oude en nieuwe, inherent deel is van het leven staat vast. Om deze diverse en tegelijk gedeelde overgangsmomenten samen te brengen, organiseerden Dwaalzin-vrijwilligers Hunter Claes en Minne Joris een inspirerende belevingsnamiddag onder de symbolische naam ‘Morfose’. Zo ontstond er via de expositie, de spoken word performances (verzorgd door leden van The Building) alsook het verdiepend panelgesprek, een ruimte waar deze variëteit aan verhalen elkaar op verbindende wijze konden ontmoeten. Want of verandering nu tot stand komt in stille wateren of te midden van een woelige storm; “If nothing ever changed there’d be no butterflies.”
Tijdens de panel deelden Majd Kalifeh, Lou en Josefien Cornette elk hun persoonlijke overgangsverhalen: van ex-vluchteling uit Palestina, via gendertransitie, tot het verlies van een partner gekoppeld aan inzichten uit de queer-crip theorie (verbindt queer zijn en disability om normen rond het lichaam te doorbreken). Doorheen dit alles, ontstond er een kruispunt waarin de getuigenissen elkaar via wederzijdse herkenbaarheid wisten te raken. Zo vertaalt de eerste aanwezige parallel zich in de hoge mate aan bureaucratie waar ze elk binnen hun eigen traject op botsten. “Wanneer je als vluchteling of persoon met een handicap beroep wilt doen op hulp, moet je eerst doorheen een geïnstitutionaliseerd systeem waar je soms niet meer bent dan een nummertje op papier. Daarbij fungeren de sociale diensten regelmatig ook als een controlesysteem waarbij maatschappelijk werkers of controleartsen zo nu en dan eens komen checken of er toch niet spontaan een been is aangegroeid aangezien ze toch wel echt willen zeker zijn dat je niet aan het profiteren bent van het systeem. Same wallet, different money of zelfde systeem toegepast op een andere minderheidsgroep”, aldus Josefien.
Een tweede raakvlak omvat een fundamentele menselijke basisnood, waar we ten tijde van liminaliteit nog meer nood aan hebben dan anders, namelijk; het belang van mensen om je heen en het antoniem ‘eenzaamheid’ bij een gebrek hieraan. Zo stelt Majd dat jeugdbewegingen als de Chiro in soortgelijke situaties een eerste geneesmiddel kunnen vormen om dit tegen te gaan. “Je bent van de ene persoon naar de andere aan het veranderen. Je bent op zoek naar je verloren zelf. Je hebt dan nood aan vrienden die je het Nederlands, Vlaamse mentaliteit en emoties kunnen bijbrengen. Niet om de volgende Ben te worden, maar om Majd te blijven in een Belgische context.” Josefien bouwt hierop verder: “Een vriendennetwerk kan opvullen waar de overheid tekort schiet. Wanneer je uitkering onvoldoende blijkt om iemand te betalen die je ondersteunt, staan je vrienden bijvoorbeeld voor je klaar wanneer je eens de afwas niet gedaan krijgt of ergens op locatie moet geraken.” Het belang van een netwerk beaamt ook Lou die de hoofdstukken uit zijn verleden met ons deelt vanuit de rode draad ‘vriendschap’.
Je bent van de ene persoon naar de andere aan het veranderen. Je bent op zoek naar je verloren zelf.
In ons huidig (geo)politieke landschap kunnen we daarnaast haast niet voorbij de diepgewortelde beeldvormingen, beeldvormingen waarbij er louter gekeken wordt naar mensen zonder ze echt te zien. Zo sluipen stigma’s als ‘lui’ of ‘werk vermijdend’ zienderogen in onze woordenschat en worden ze de nulpunten waar de rest van ons socio-politieke discours op verder schommelt. “Ik ken niemand die een handicap heeft of langdurig ziek is die zich niet engageert in vrijwilligerswerk, het huishouden verzorgt of bezig is met creativiteit. Die mensen zijn eigenlijk aan het werken. De vraag die je dan kan stellen luidt niet alleen: Welke vooroordelen hebben we als maatschappij tegen mensen met een handicap? Maar ook (en dan kom ik in het vaarwater van de dubbele dagtaak) van de feministische beweging: Wat is werk? Als we al deze dingen blijven zien als geen werk en iets per definitie alleen valt onder de noemer ‘werk’ wanneer je er belastingen op kan heffen, dan gaan er natuurlijk veel mensen ‘thuiszitten’.”
Een andere weergave die Josefien aanstipt is wat vanuit theoretische kaders omschreven wordt als: ‘inspiratieporno’. Achter inspiratieporno, oftewel de neiging om mensen met een handicap neer te zetten als inspiratiebron, schuilt vaak de boodschap dat ze zich voortdurend moeten bewijzen. “Waarom moet je eerst iets uitzonderlijk doen, zoals de Kilimanjaro beklimmen in een rolstoel vooraleer je als volwaardig mens wordt gezien. Waarom is jezelf zijn niet genoeg?”
Waarom moet je eerst iets uitzonderlijk doen, zoals de Kilimanjaro beklimmen in een rolstoel vooraleer je als volwaardig mens wordt gezien. Waarom is jezelf zijn niet genoeg?
Verder beschrijft ook Lou hoe beeldvorming ten aanzien van de transgendergemeenschap impact uitoefent op dagelijkse interacties en algehele veiligheidsbeleving. “Zo kreeg ik tijdens een lezing voor een groep middelbare schoolstudenten al eens de opmerking: Je mag wel zijn wie je bent, maar ik wil er niet voor betalen. Hoewel deze persoon nog te jong was om mee te betalen, is dat wel het discours dat rondgaat in politieke debatten. Namelijk dat de maatschappij niet moet opdraaien voor kosten van transgenderzorg. Er zijn zoveel dingen waar we niet voor willen betalen, ik wil ook niet betalen voor zeg maar de luchthaven in Deurne.” Verwijzende naar Josefiens verhaal besluit hij dat het herkenbare in dit alles voornamelijk schuilt in het gegeven dat mensen helaas niet altijd voldoende zorg willen dragen voor anderen.
Daarbij pleit Lou (onder meer naar aanleiding van het transfoob geweld in Leuven) ook voor de oprichting van een ‘Paars Punt’ oftewel een meldpunt (naar het Spaanse model Punto Violeta) waar iemand na grensoverschrijdend gedrag op een veilige en laagdrempelige wijze terecht kan. Zelf is Lou ook werkzaam binnen een organisatie waar LGBTQIA+- personen met een migratieachtergrond thuis zijn. “Soms organiseren we een avond en dan sta ik zelf aan de deur om de mensen een woordje uitleg te geven zodat ze meteen weten waar ze binnenkomen. Hoewel ik mij doorgaans geen target voel omdat de meesten niet meteen denken dat ik LGBTQIA+ ben, krijg je op zo een momenten soms wel een beetje schrik omdat je niet altijd weet wie er juist voor je staat en wat diens ideeën juist zijn.” Tot slot besluit Lou dat het belangrijk is dat een safe(r) space beleid actief geïmplementeerd wordt tijdens het uitgangsleven. “Wanneer iemand een Angela besteld (ook wel het codewoord dat je tegen het barpersoneel kan zeggen wanneer je je onveilig voelt) dan is het natuurlijk belangrijk dat er ook effectief iets gebeurt en bijvoorbeeld de doorman optreedt.”
Dat beeldvorming niet alleen doorsluimert in onze maatschappelijke perceptie, maar ook mee bepaalt hoe onze systemen worden ingericht, licht ook Majd toe in zijn getuigenis als ex-vluchteling uit Palestina. “Je leert al snel dat een klantenservice niet hoort bij de inburgeringscursus. Wanneer je iets vraagt, bots je vaak op zinnen als ‘da ga ni’. Dat missen we nog te vaak, dat mensen achter het loket eerst even tien seconden rust nemen en dan pas ‘ja’ of ‘neen’ zeggen in plaats van automatisch ‘neen’. Je gaat in een soort survival modus waar je denkt: ‘Ik moet mezelf redden’. Elke stap in het proces is moeilijk en hoewel er meestal wel een oplossing is, moet je deze zelf gaan zoeken of zelfs aanleren aan de persoon die achter het loket zit.”
Wanneer Gazanen het Nederlands onder de knie hebben en de verhalen en trauma’s naar boven komen, dan gaan ze steun nodig hebben. Zeker wanneer je ook nog eens de schok moet ervaren van iemand op afstand te moeten verliezen.
Hierbij lijken we nog te vaak te vergeten dat je als vluchteling niet alleen op deze drempels botst, maar dat je op deze drempels botst terwijl je nog onverwerkte trauma’s met je meedraagt. Zo zag Majd doorheen zijn carrière als documentairemaker en journalist nog nooit zoveel gruwelijke beelden als nu bij de genocide in Gaza. “Wanneer Gazanen het Nederlands onder de knie hebben en de verhalen en trauma’s naar boven komen, dan gaan ze steun nodig hebben. Zeker wanneer je ook nog eens de schok moet ervaren van iemand op afstand te moeten verliezen.” Naast de onmenselijke dodentol, moeten mensen met een beperking ook vluchten, zelfs zonder een rolstoel. Zo verhaalt hij over een Gazaanse vader die een halfzijdige verlamming opliep. Hij werd door zijn twee dochters meegedragen tot de eerste mogelijkheid zich voordeed om in een auto te stappen die hen over de grens zou kunnen brengen.
Journalistiek is het basiselement van onze democratie, dus blijf schreeuwen voor de dingen waarin je gelooft en laat niet zomaar je rechten los.
Een ander aspect dat ons minder via de reguliere media bereikt, is het gebrek aan toegang tot hygiënische faciliteiten (douche, toilet al dan niet voor mensen met een beperking,…). Ook dat zijn volgens hem momenten waar je als journalist op moet blijven inzetten. Zeker wanneer politici steeds meer subsidies schrappen voor journalistiek. Er is dan geen sprake van directe censuur, maar het recht op vrije meningsuiting dat stap voor stap indirect wordt aangetast, zo stelt Majd. “Journalistiek is het basiselement van onze democratie, dus blijf schreeuwen voor de dingen waarin je gelooft en laat niet zomaar je rechten los.”
Tot slot polste moderator Meli Awouters naar mogelijke acties, die we als samenleving kunnen ondernemen, om het leven voor iedereen een beetje makkelijker te maken. “Toegankelijkheid is meer dan het creëren van veilige materiele omstandigheden, maar gaat ook over: Voel ik mij hier welkom en is mijn aanwezigheid gewenst?” Een tweede facet ligt volgens Josefien verder in de basisveronderstelling dat mensen goede intenties hebben, alsook het recht op plezier. “Het plaatsen van plezier tegenover een survival modus of kleine gelukjes als tegengif.”
Zowel Lou als Majd benadrukken de kracht van luisteren naar iemands achtergrondverhaal en de mate van empathie die daaruit voortvloeit. “Het kennen van iemands geschiedenis of jeugd is van groot belang voor eender welk gesprek of debat dat je voert. In het geval van Gaza is er een totaal gebrek aan wederzijdse kennis over de volkeren (Israëlische en Palestijnse burgers). Natuurlijk draagt institutionele desinformatie ook enorm bij in het afbreken van empathie. Wanneer je iemand (al dan niet met een migratie achtergrond) op straat, het werk, de campus, op café… tegenkomt, vraag dan gerust eens: ‘Wat was vroeger jouw favoriete spel?’ en zoek die connectie op.”
Wat kunnen we nu meenemen uit dit alles? Vertelt het ons meer over de dualiteit van overgangsmomenten? Dat ze broodnodig zijn en met momenten zelfs een vorm van schoonheid kunnen bevatten? Dat ze zeker niet zonder uitdagingen komen doordat ze onderhevig zijn aan maatschappelijke (polariserende) structureren? Wat je take-away-message ook moge zijn, laat empathie de rode draad vormen en stel jezelf zo nu en dan eens de vraag: Waar had ik zelf nood aan tijdens een overgangsmoment uit mijn eigen leven? Want zoals Ian MacLaren ooit zei: “Be kind, for everyone you meet is fighting a hard battle.”
*Overgangsrituelen/ plechtigheden kunnen een betekenisvol antwoord bieden op bovenstaande dualiteit. Ze tonen ons dat terugslag niet enkel iets persoonlijk is, maar veelal een sociaal proces waarbij de gemeenschap jouw zorgen of vreugde meedraagt. Zit jij in een overgangsfase of gaat het even wat moeilijker? In jouw lokaal huisvandeMens kan je terecht voor een luisterend oor of gesprek. Of wil je een overgangsperiode net op ceremoniële wijze vieren? Ook dan denken wij graag even met je mee.*
Jolien Reekmans is jongerenconsulent bij Dwaalzin in Limburg.